Wat zegt een uitslag van Izore?

Voor een optimale kwaliteit van ons werk moet aandacht zijn voor een aantal factoren:

  • informatie over klachten, symptomen, ziekteduur en behandeling van de patiënt - deze informatie is nodig om de goede analyses te kunnen doen, gericht op de vraagstelling van elke individuele patiënt;
  • een duidelijke vraagstelling door de aanvrager van het onderzoek;
  • juiste afname van het juiste patiëntmateriaal – als het materiaal niet goed is, of niet goed is afgenomen kan ons onderzoek ten onrechte negatief uitvallen;
  • juiste bewaar- en transportcondities van het patiëntmateriaal – micro-organismen kunnen dood gaan of juist andere micro-organismen overgroeien als het materiaal niet goed wordt opgeslagen;
  • transport van patiëntmateriaal naar Izore zo snel mogelijk, liefst de dag van afname.

 

Wij betrekken de informatie die wij bij het patiëntmateriaal krijgen en die wij eventueel al hebben over een patiënt naar aanleiding van eerdere onderzoeksaanvragen bij onze keuze van de onderzoeken die wij noodzakelijk vinden. Dat kan betekenen dat wij niet precies doen wat de aanvrager vraagt, of heel iets anders, of ook wel helemaal geen onderzoek. Belangrijke afwijkingen van wat is aangevraagd bespreken wij uiteraard met de aanvrager van het onderzoek.

 

Alle zorgvuldigheid die wij bij ons werk betrachten betekent echter niet dat onze uitslagen altijd 100% duidelijkheid verschaffen. Verschillende zaken spelen hierbij een rol.

  • De gramkleuring is de meest gebruikte kleuring in de bacteriologie. Dit is in essentie een kleuring waarmee bacteriën kunnen worden onderscheiden in grampositief en gramnegatief. In preparaten van klinisch materiaal kan verder alleen betrouwbaar een uitspraak worden gedaan over aanwezigheid van leukocyten (zonder verdere discriminatie) en epitheelcellen. In onze rapportages van grampreparaten komt u dan ook naast bacteriën alleen deze twee elementen tegen. Andere cellen of vormen worden benoemd als ‘cellen en/of celresten’.

  • Het kan zijn dat het gezochte micro-organisme te weinig aanwezig is in het patiëntmateriaal om door onze technieken gevonden te worden; elke analysemethode heeft een ‘ondergrens’ van wat gevonden kan worden.

  • Het kan zijn dat het gezochte micro-organisme net niet zit in het patiëntmonster dat naar ons is opgestuurd.
  • Het kan zijn dat een individuele patiënt nog geen meetbare antistoffen heeft geproduceerd op het moment van monstername. Mensen verschillen in zowel het tempo waarin zij antistoffen aanmaken als de hoeveelheid antistoffen die zij maken.
  • Soms loopt een onderzoek van een patiëntmateriaal niet zoals zou moeten, zonder dat duidelijk is waar dat precies aan ligt. Dat heeft te maken met bepaalde factoren in zo’n materiaal, waarvan helaas onbekend is welke dat precies zijn. Zo mogelijk wordt een dergelijk onderzoek door Izore herhaald. Wanneer dit fenomeen zich bij herhaling blijft voordoen melden wij dat er geen uitslag mogelijk is. Bij een volgend monster van hetzelfde materiaal, bijv. urine, hoeft het fenomeen zich niet weer voor te doen.
  • Micro-organismen veranderen hun eigenschappen ook steeds een beetje, het zijn levende wezens die reageren op de omstandigheden waarin zij verkeren, en die met elke nieuwe generatie kunnen veranderen. Daarin verschillen zij niet van andere levende wezens, maar aangezien zij zich sneller vermenigvuldigen verlopen dergelijke processen bij hen veel sneller. Uiteraard worden onze analyses daarop aangepast, maar soms veranderen micro-organismen zo snel dat onze onderzoeken tijdelijk niet optimaal geschikt zijn om een bepaald micro-organismen aan te tonen.
  • Verder kunnen er in de laboratoriumanalyse fout-positieve uitslagen zijn: dan is er wel een meetbare reactie, maar deze berust in zulke gevallen niet op de aanwezigheid van de ‘echte’ antistoffen, of het ‘echte’ micro-organisme. Dat kan te maken hebben met elementen in het patiëntmateriaal, maar ook met het biologische feit dat micro-organismen in hun eigenschappen op elkaar kunnen lijken.

Onze analisten, moleculair biologen en artsen-microbioloog moeten steeds alert zijn op ook deze aspecten. Het vraagt continue aandacht om de kwaliteit van onze onderzoeksmethoden zo goed mogelijk te houden.

 

In de interpretatie van onze uitslagen houden wij zo goed mogelijk rekening met al deze factoren. Wij herhalen onze analyses zo nodig, en/of vragen eventueel om een aanvullend patiëntmateriaal. Ook hebben wij aandacht voor deze zaken in onze interpretaties van en commentaren bij uitslagen.

 

***** 

Uitleg kwantitatieve PCR’s

Van CMV, EBV, HBV, HCV en HIV kan een kwantitatieve PCR worden ingezet. Hiermee wordt de “viral load” bepaald. De “viral load” wordt uitgedrukt in copieën (copies) per milliliter of in international units per milliliter.

 

CMV en EBV:

Bij primo infecties van CMV wordt het aantal copieën per ml afgegeven. Wordt er geen virus aangetoond dan is de uitslag negatief.

Bij reactivaties (IgG pos) wordt indien >100 copieën/ml het aantal copieën per ml afgeven, indien <100 copieën per ml of geen copieën dan is de uitslag <100 copieën per ml.

 

HBV:

Het systeem kan HBV kwantificeren van 20- 170.000.000 IU/ml. Buiten deze grenzen kan HBV wel gedetecteerd worden, maar is de waarde niet meer betrouwbaar. De uitslag wordt dan weergegeven als positief <20 IU/ml of positief >170.000.000 IU/ml.

Wordt er geen virus aangetoond dan is de uitslag negatief.

 

HCV:

Het systeem kan HCV kwantificeren van 15-100.000.000 IU/ml. Buiten deze grenzen kan HCV wel gedetecteerd worden, maar is de waarde niet meer betrouwbaar. De uitslag wordt dan weergegeven als positief <15 IU/ml of positief >100.000.000 IU/ml.

Wordt er geen virus aangetoond dan is de uitslag negatief.

 

HIV:

Het systeem kan HIV-1 kwantificeren van 20-10.000.000 copies/ml. Buiten deze grenzen kan HIV-1 wel gedetecteerd worden, maar is de waarde niet meer betrouwbaar. De uitslag wordt dan weergegeven als positief <20 cp/ml of positief >10.000.000 cp/ml.

Wordt er geen virus aangetoond dan is de uitslag negatief.

 

*****

 

Uitleg kwantitatieve serologie

Serologische meetwaarden worden vrijwel altijd beoordeeld in de context van ziekteduur, klinische gegevens en uitslagen van andere (historische) uitslagen. Het is daarom niet mogelijk generieke informatie over de beslissingswaarden van serologische bepalingen te geven. Slechts voor een drietal bepalingen kan dat wel: antistoffen tegen hepatitis-B-virus na vaccinatie (anti-HBs) en vaststelling van bescherming tegen rode hond en waterpokken bij personen zonder klachten (respectievelijk rubella IgG en Varicella IgG). Bij deze uitslagen wordt een interpretatie gegeven volgens onderstaande regels:

 

Anti-HBs, na vaccinatie

Interpretatietabel

Anti-HBs titer

Interpretatie

<10 IU/l

Indien dragerschap met hepatitis-B-virus uitgesloten niet beschermd tegen hepatitis B. Advies: evt. revaccinatie en titercontrole

10-100 IU/l

Na uitsluiting dragerschap interpretatie: tenminste 20 jaar (waarschijnlijk levenslang) bescherming tegen hepatitis B indien geen risicovormende handelingen worden verricht cf. de Landelijke richtlijn Preventie iatrogene Hepatitis B van het LCI. Indien wel sprake is van risicovormende handelingen bescherming voor 5 jaar, waarna boostervaccinatie tegen hepatitis B en titerbepaling

>100 IU/l

Voor tenminste 20 jaar ( waarschijnlijk levenslang) beschermd tegen hepatitis-B-virus

 

 

Rubella IgG

Interpretatietabel

Titer (IU/ml)

Uitslag

<10

Niet beschermd. Advies: (re)vaccinatie en titercontrole (niet tijdens de zwangerschap)

≥10

Beschermd

 

Varicella IgG

Interpretatietabel

Titer (IU/ml)

Uitslag

<100

Geen beschermende antistoffen tegen varicella zoster virus aangetoond

≥100

Beschermende antistoffen tegen varicella zoster virus aangetoond.